De regel
Elk vak heeft een waarde: 2, 3, 4 of 1. Een losse schijf telt voor de waarde van zijn vak. Maar ligt er in elk van de vier vakken minstens één schijf, dan vormen die vier samen een setje, en een setje is 20 punten in plaats van 2 + 3 + 4 + 1 = 10.
Tel dus eerst het aantal setjes. Dat is het kleinste aantal schijven in een vak. Vermenigvuldig met 20. Tel daarna de schijven die overblijven per vak op, elk voor de waarde van zijn poort.
Een voorbeeld
| Vak | 2 | 3 | 4 | 1 | Totaal |
|---|---|---|---|---|---|
| Schijven | 6 | 7 | 8 | 6 | 27 |
| Setjes | 6 setjes (het laagste vak heeft 6) | 120 | |||
| Los | 0 × 2 | 1 × 3 | 2 × 4 | 0 × 1 | 11 |
| Score | 131 | ||||
Het maximum: 148
Met 30 schijven kun je zeven setjes maken (28 schijven, 140 punten). De twee schijven die overblijven leg je in het vak van 4: nog eens 8 punten. Samen 148, de hoogste score die je met 30 schijven kunt halen. Sjoelers noemen dat een perfect spel.
De bonus: tot 156
Het ANS-reglement kent een bonus voor wie 148 haalt zonder alle drie de onderbeurten nodig te hebben:
- 148 in één onderbeurt: je krijgt twee keer één schijf terug om nog te spelen.
- 148 in twee onderbeurten: je krijgt één keer één schijf terug.
Elke bonusschijf in het vak van 4 levert 4 punten op. Zo is 156 het theoretische maximum. In de praktijk komt het zelden voor.
Tellen zonder rekenhulp
Kijk naar het vak met de minste schijven. Dat getal keer 20. Kijk dan per vak hoeveel er boven dat aantal uitsteken en tel die keer de vakwaarde erbij. Bij wedstrijden wordt na elke onderbeurt genoteerd, thuis is één keer tellen aan het eind genoeg.